een gebouw vanuit de visie van het Montessori onderwijs
Het Programma Van Eisen
Centraal in de gedachtevorming is het uitgangspunt dat de school
een montessorischool is. Een school waar kinderen en leerkrachten
werken vanuit de ideeën en de theorie zoals dr. Maria Montessori
heeft bedacht en ontwikkeld.
Betekent dit dan een strak keurslijf voor de architect, waar
nauwelijks plaats is voor eigen creativiteit? Neen. Kijk maar naar
de verschillende montessorischolen die in ons land de afgelopen
jaren zijn gebouwd. Allemaal vanuit de montessori-visie neergezet
en toch in uitvoering heel divers en met een eigen karakter.
Omgevingsfactoren en schoolspecifieke wensen en ideeën zorgen voor
diversiteit. Een diversiteit, waar de Montessori specifieke
kenmerken als een rode draad zichtbaar zijn. In dit PVE zullen de
basisprincipes van een montessorischool uiteen worden gezet, maar
ook de voor onze situatie specifieke zaken die we in de school
terug willen zien. Daarnaast zijn er een aantal omgevingsbepaalde
omstandigheden te benoemen, die hun invloed zullen hebben op het
concept en de uiteindelijke vorm van de school.
De Montessori theorie in relatie tot het
schoolgebouw
Het werk in een montessorischool stelt specifieke eisen aan een
schoolgebouw.
Een PVE is niet de plaats om uitgebreid in te gaan op de theorieën
van M.Montessori; daarvoor verwijzen wij naar onze schoolgids, ons
schoolplan en de literatuur die er over Montessori is verschenen.
In dit PVE beperken we ons tot de hoofdpunten, aangevuld met de
acht uitgangspunten zoals beschreven in het boekje " de
architectuur van de montessorischool". (uitgave Nederlandse
Montessori Vereniging)
De montessorischool: onderwijs én opvoeding
Alle ontwikkelingen die het kind de eerste levensjaren doormaakt,
vinden plaats in wisselwerking met de omgeving waar het kind in
opgroeit. Allerlei indrukken prikkelen het kind om zich te
ontwikkelen. De kwaliteit van de omgeving is bepalend voor de
ontwikkeling. Montessori stelde dat ieder mens is 'gemaakt' om te
leren. Kinderen zijn van nature toegerust met een onverzadigbare
drang tot verkennen en experimenteren. Als de school zorgt voor een
goede omgeving, komt het kind vanzelf tot leren.
Aan de drang tot experimenteren en onderzoeken ligt volgens Montessori een onbewuste doelgerichtheid ten grondslag: het kind wil groot worden. "Help mij het zelf te doen" is dan ook kort samengevat de kern van het Montessori-onderwijs en opvoeding. Het kind maakt zich los uit de toestand van afhankelijkheid en wordt steeds zelfstandiger.Het is van groot belang dat het kind daarbij de vrijheid krijgt zijn omgeving te ontdekken en de dingen zélf te doen die het ook zélf kan. Voor school betekent dit dat de leidsters een leeromgeving scheppen waarin de kinderen materialen en activiteiten vinden die passen bij hun ontwikkeling en belangstelling. De verschillen tussen kinderen en hun ontwikkelingsgang leiden tot allerlei vormen van differentiatie.
"Help mij het zelf te doen" is een zeer bekende uitspraak van
Montessori. De taak van de leidster op een montessorischool is
kinderen helpen zelf te werken. De leidster moet er voor zorgen dat
het kind activiteiten ontplooit. Vanuit deze gedachte is het
inrichten van het lokaal met de daarbij behorende leermiddelen een
van de eerste taken van de leidster: "de voorbereide
omgeving".
De voorbereide omgeving is van groot belang in de ontwikkeling van
het kind en zal mede door een goede opzet van het schoolgebouw
aangereikt moeten worden. Vanuit het werk in de montessorischool
zijn een achttal punten geformuleerd. Deze punten vormen een
leidraad bij de totstandkoming en de bouw van een
montessorischool.
De acht uitgangspunten vanuit onze visie
De hieronder beschreven acht punten geven kort de uitgangspunten weer voor het ontwerpen van een montessorischool.
1. Plein
Het plein is de grote centrale ruimte in de school. Het
is niet alleen een plaats waar gezamenlijke ondernemingen plaats
vinden (bijv. een uitvoering of vergadering), maar het is tevens
een plaats waar kinderen uit de gemeenschap moeten kunnen werken.
Het is ook een ontmoetingsplaats voor kinderen uit de verschillende
bouwen en groepen , een plaats voor groepsoverschrijdende
activiteiten. Een plaats waar kinderen geïnspireerd moeten kunnen
worden door andere kinderen. Het plein is voor kinderen goed
bereikbaar, zonder aan intimiteit in te boeten. (vorm en licht,
complementair aan de lokalen)
Maar er is ook een mogelijkheid tot het houden en inrichten van
een tentoonstelling/presentatie en optredens in het kader van
feesten, themasluitingen en afscheid schoolverlaters. (podium)
2. Schakeling
Een schakeling naar de andere groepen toe: de
intellectuele wandeling die het kind kan maken van de ene groep
naar de andere om inventaris op te maken van het hier en daar
gebodene.
Het kind kan hierdoor:
• een ruimer ontmoetingsveld hebben
• affectieve relaties aangaan met jongere of oudere kinderen of
met andere leidsters
• een beeld krijgen van alle mogelijkheden in de school
• zichzelf even onttrekken aan voor hem op dat moment te krachtige
omgevingsimpulsen
• iets kunnen doen wat nog niet voorzien was
(maar ook een schakeling naar bijvoorbeeld het plein, het
documentatiecentrum of de tuin toe)
Het houdt in dat de klas in open relatie staat naar de school
(bijvoorbeeld door het toepassen van dubbele deuren of een
vouwwand), maar desgewenst ook kan worden afgesloten. Er is ook
openheid van de verdieping naar de begane grond, opdat ook daar de
verbondenheid wordt ervaren.
Bij de klassenentree of in de gemeenschappelijke ruimte is een
vitrine, zodat de kinderen uit de klas zich ook door het exposeren
van eigen werk naar elkaar (de andere kinderen, ouders en leidster)
kunnen presenteren.
3. Diversiteit
Om een optimale pedagogische situatie te verwezenlijken
zullen verschillende voorzieningen moeten worden aangebracht.
In de klaslokalen is er een keukentje en zijn er de mogelijkheden
voor een rusthoek, samenwerk plekken, de aandachtstafel. De school
heeft een goed toegankelijke bibliotheek en een plek waar met een
groep kinderen handarbeid kan worden gedaan en overblijf kan plaats
vinden. Voor de onderbouw is er een speellokaal (eventueel te
schakelen aan het plein)
Maar er zijn ook onderwijsondersteunende voorzieningen; zij
ondersteunen activiteiten in het primaire proces. Onder deze
onderwijsondersteunende voorzieningen vallen ruimten als teamkamer,
werkruimte voor de leidsters, IB-ruimte, magazijnen,
schoonmaakruimten, een keuken, ruimten voor directie en
conciërge.
4. Beslotenheid
Besloten, gedeeltelijk afgesloten werkruimten. Zowel in de klas
als in de gemeenschapsruimte, waar men tot zichzelf kan komen of
waar men alleen of in groepjes bezig kan zijn. Een besloten ruimte
kan naar twee kanten toe de concentratie bevorderen. Aan de ene
kant is er de rust die het kind vindt dat in de besloten ruimte
gaat zitten. Anderzijds kunnen kinderen in deze ruimte activiteiten
plegen die (vaak ongewild) storend kunnen zijn voor de andere
kinderen. (werken aan proefjes, met de klankstaven, enz.)
Is dit dan niet in tegenspraak met het onder 'schakeling'
beschrevene? Neen, naast de openheid heeft het kind ook recht op
beslotenheid. Maar dit geldt ook voor de klas: de groep moet ook zo
af en toe in de beslotenheid van de klas bezig kunnen zijn.
5. Juiste verhoudingen
Alles dient in de juiste verhouding tot het kind te zijn. Alles
dient ook toegankelijk te zijn, hanteerbaar en bereikbaar.
Niveauverschillen, hoogte van bijvoorbeeld het keukentje,
raamhoogte en borstwering etc. dienen afgestemd te zijn. Het geheel
moet voor het kind overzichtelijk te zijn en in de juiste
verhoudingen. Meubilair kan door kinderen worden gedragen, in goede
verhouding tot de kinderen.
Er is een onderscheid tussen onder-, midden- en
bovenbouwlokalen.
6. Bewegingsruimte
Montessori heeft hierover een duidelijke uitspraak gedaan: de
kinderen moet voldoende bewegingsvrijheid hebben. Dit impliceert
dat de lokalen ruim moeten zijn. De in de jaren '30 door haar
geopende Haarlemse Montessorischool heeft dan ook lokalen van 80
m2! Er moet ruimte zijn om op de grond op kleedjes te kunnen
werken, er moeten afgeschutte werkplekjes zijn (beslotenheid) een
keukentje en een rusthoek.
7. Tuin
De tuin moet het kind voldoende uitdaging bieden om tot handelen
te komen. Oogsten, zaaien, met alle daarbij behorende activiteiten
zijn volgens Montessori de werkzaamheden die door kinderen worden
geprefereerd als ze vrijgelaten worden in hun keuze. Een plaatsing
van een tuintje bij iedere groep biedt de mogelijkheid om deze
activiteiten te verweven binnen ons (KOO) onderwijs. De tuin is dan
onderdeel van de bij de klassen gelegen buitenruimte.
Daarnaast zal er voor de onderbouw, aansluitend aan of onderdeel
van hun eigen plein, specifiek een tuindeel moeten zijn, net als nu
het geval is.
8. Context
Een term die een brede lading dekt. Te denken valt aan
het gebouw in relatie tot zijn omgeving. Voor onze situatie een
eigen kavel, aan de noordzijde besloten door een brede sloot, aan
de westzijde grenzend aan een woonbestemming en aan de zuidzijde en
oostzijde liggend aan een voetpad / openbare weg.
Voor het gebouw zelf, twee bouwlagen met eventueel een split-level
rond plein en documentatiecentrum, denken we aan een gebouw dat de
gebruikers niet al teveel oplegt. Een gebouw dat voldoende flexibel
is voor gebruik, ook op langere termijn. De gebruikers geven kleur
en invulling, het gebouw mag komende generaties niet een claim
opleggen. De Montessori context is duidelijk, de rest zal
transparant en uitgebalanceerd dienen te zijn. Materiaalkeuze en
kleurgebruik zullen veel aandacht vragen. Het gebouw is daardoor
onderhoudsvriendelijk.
Speciale aandacht vraagt de klimaatbeheersing en de belichting van
de school. Het gebouw is energiezuinig van opzet; er is rekening
gehouden met de oriëntatie van het gebouw.
Buitenruimte
De buitenruimte zoals wij dat nu hebben, heeft een goede
gebruikswaarde (maar weinig speelapparaten) en biedt de kinderen
veel mogelijkheden tot activiteiten. Er kan worden gevoetbald en
gerend, maar er is ook plaats voor allerlei 'rustige' vormen van
spel. Onder de bomen kan worden gegeten, in een besloten atmosfeer.
Maar er kan ook worden gelezen of getekend. Het geeft het plein
zijn stoffering en zorgt voor intimiteit en beslotenheid. Het plein
rond de nieuwe school kan elementen bevatten van het plein zoals de
school nu heeft. Met de kinderen zal in projectvorm een plein
worden ontworpen. Zij zullen de ideeen en wensen gaan aandragen.
Bij de lokalen is een kleine buitenruimte gelegen. Het
onderbouwplein zal afgesloten moeten zijn van de openbare weg. Er
is ruimte voor een tuindeel en een verhard speelgedeelte.
Zomogelijk is inpandig een berging voor buitenspeelgoed.
De aan onze school gebonden specifieke
wensen
Tijdens de vele schoolbezoeken ontstond langzaam een
beeld van hoe een school er uit zou kunnen zien. We bemerkten dat
de meeste scholen te kampen hebben met dezelfde problemen.
Problemen die op de gebruikswaarde van de school een negatieve
invloed hebben.
De meest voorkomende problemen deden zich voor met:
1. de klimaatbeheersing in de school
2. gebrek aan magazijn en bergruimte
3. de garderobe voor de kinderen
4. materiaalgebruik en afwerking in de school
5. school te klein gebouwd en onvoldoende rekening houdend met
groei en diversiteit van activiteiten
6. geluidsoverlast (binnen - binnen, buiten - binnen)
1 Klimaatbeheersing
De meeste scholen zijn in de zomer te warm. Het viel ons
op dat in de scholen er veelal geen dwars ventilatie mogelijk was
en er in de klaslokalen nauwelijks ramen open konden. Soms maar één
of twee beweegbare ramen. Mechanische ventilatie moest oplossing
bieden, maar was vaak onvoldoende van capaciteit. De meeste
nieuwbouw heeft te weinig bouwmassa om temperaturen geleidelijk te
laten wisselen (zowel in de winter als in de zomer) Grote
glasoppervlakten op het zuiden werken zomers als een kas. Zonwering
is in enkele gevallen pas laat aangelegd: het budget was op!
Het klimaat in de school is voor ons een punt van extra
aandacht.
In de zomer niet teveel direct zonlicht, in de winter, als de zon
lager staat, meer binnentredend licht.
Meer gebruik maken van 'natuurlijke' manieren om het klimaat te
reguleren, i.p.v. geavanceerde (en vaak kwetsbare en
gebruiksonvriendelijke systemen)
2 Magazijn en bergruimte
In veruit de meeste scholen bestaat een gebrek aan
bergruimte. Vaak staat van alles door elkaar, van onderwijs
leermiddelen tot de kerstversiering.
Wij denken aan een aantal magazijnen, gekoppeld aan gebruik. Zo is
er een magazijn voor verbruiksmateriaal, een berging voor
onderbouwmateriaal, een kluis voor kwetsbaar en kostbare
apparatuur, een speelberging voor de onderbouw gelegen aan hun
speelplein, een berging voor speelmateriaal midden- en bovenbouw,
overblijf en tuingereedschap. Daarnaast zijn in de school een
aantal vaste inbouwkasten opgenomen. De bergruimte moet worden
berekend op gebruik door 230-240 kinderen.
3 Garderobe
In veel scholen was er te weinig kapstokruimte. De
kinderen hebben ook steeds meer bij zich. Grote rugzakken,
gymnastiekspullen en overblijftassen. Daarbij komt dat de
kindergarderobe in de meeste scholen in de gang liggen, waar dan
ook nog wat werktafeltjes staan. Er ontstaat dan vermenging van
verschillende functies: verkeers- en werkruimte.
4 Materiaalgebruik en afwerking in de school
Bij enkele nieuwbouwscholen viel het op dat de school er
al behoorlijk uitgewoond uitzag. Gipsen scheidingswanden met
spuitwerk als afwerking: groezelige wanden, soms zelfs al met gaten
(tafelpunt er doorheen)
Systeemplafonds hingen rommelig en kierend in de lokalen. (te
dunne panelen gebruikt)
Het is van belang zoveel mogelijk goede en duurzame materialen te
gebruiken.
5 School te klein gebouwd
In een aantal gevallen was de school enorm gegroeid. Deze
'overbevolking' heeft vele consequenties: de school is niet meer
berekend op het aantal gebruikers. Dus: te weinig kapstokken,
toiletten, berging, onderwijsondersteunende ruimten, te kleine
personeelsruimte voor een uitbreidend team.
Voor onze situatie moeten we rekening houden met een
schoolbevolking van 230-240 kinderen.
6 Geluidsoverlast
Veel scholen klaagden over geluidsoverlast van
buitenspelende kinderen. Vaak was het onderbouwplein gesitueerd
voor en onder de middenbouw- en bovenbouwlokalen. De meeste scholen
met een verdieping die we bezochten, hadden een vide. Zij
ondervonden problemen van het geluid van werkende en spelende
kinderen, dat naar boven doorklonk. Voor onze situatie betekent het
aandacht voor de situering van het (onderbouw)plein en de indeling
van trappenhuis en vide en de ligging ten opzichte van de lokalen.
Tijdens het ontwerpproces en de gesprekken tussen de aannemer, het
bureau dat berekeningen maakte voor de brandveiligheid, het klimaat
en de akoestiek, de architect en de bouwcommissie is nadrukkelijk
naar deze zes punten gekeken en binnen de budgettaire kaders
gezocht naar een optimum.
