kernpunten van de methode

- Elke kennis van blijvende waarde voor theorie en praktijk van de opvoeding moet berusten op gegevens die verkregen zijn door het meten en vergelijken van grote aantallen kinderen.-

 

Dit credo is het methodologisch uitgangspunt van Maria Montessori geweest. Met dit meten en vergelijken had zij echter geen momentopname op het oog, maar een voortdurende en systematische observatie van het kind tijdens zijn gehele ontwikkeling. Zo kwam zij tot haar visie op het kind en zijn ontwikkeling.

 

Een kind is actief, niet passief. Activiteit is kenmerkend voor 'leven' en dus inherent aan het kind: het is nieuwsgierig, leergierig en van nature behept met de drang om te weten. Een kind wordt niet uitsluitend door de omgeving gevormd: ontwikkeling is een proces waaraan het kind zelf een onvervangbare bijdrage levert. Haar 'filosofie van de opvoeding' is nadrukkelijk gebaseerd op wetenschappelijke inzichten.

 

 

Tijdens de eerste levensjaren is er een enorme energie en actiedrang in het kind aanwezig. Vanuit zichzelf wordt het gemotiveerd om zich te ontwikkelen, om te leren. Dat uit zich in een spontane belangstelling van kinderen. De onderwerpen van die belangstelling verschillen per kind en veranderen met verloop van een aantal fasen. Dit betekent dat kinderen kortere of langere perioden ontvankelijk zijn voor bepaalde leergebieden. Als het kind zich in zo'n 'gevoelige periode' bevindt, is het in staat op dat moment een functie zeer intensief te ontwikkelen. Het is de taak en de deskundigheid van de leerkracht om op deze gevoelige perioden adequaat te reageren, door het juiste materiaal in de juiste omgeving aan te bieden.

 

 

Kinderen verschillen wezenlijk van volwassenen, niet slechts kwantitatief, maar ook kwalitatief. Ze zijn geen miniatuur-volwassenen, maar worden gekenmerkt door geheel eigen behoeften en activiteiten. De bevrediging daarvan gedurende de allereerste levensfase (globaal tot ongeveer het zesde jaar) is van groot belang voor de latere ontwikkeling.